Het afleggen van geloften

“Wanneer u een gelofte aan God doet, stel die dan niet uit, want Hij heeft geen behagen in dwazen. Kom uw belofte na – het is beter geen belofte te doen dan een belofte te doen en die niet na te komen. Laat uw mond uw vlees niet tot zonde verleiden, en zeg niet tegen de boodschapper van God dat het een vergissing was. Waarom zou God boos worden om uw excuus en het werk van uw handen vernietigen? Want in de veelheid van dromen en vele woorden schuilt ook ijdelheid. Maar vrees God.”
Prediker 5:4-7

Salomo waarschuwt voor het maken van ondoordachte geloften. Sommige mensen doen een gelofte aan God in een poging om met Hem te onderhandelen: "Als U dit doet, beloof ik dat te doen." Salomo waarschuwt tegen deze manier van omgaan met God en herinnert ons eraan dat als we een gelofte aan God doen, we die ook moeten nakomen. Hij vergelijkt het doen van beloftes aan God en die vervolgens niet nakomen met dwaasheid.

Gelofte gaan over toekomstige daden, en de toekomst is iets waar jij en ik maar weinig controle over hebben. Gelofte moeten als heilig en plechtig worden beschouwd, omdat ze betrekking hebben op hemelse realiteiten, en we moeten ervoor oppassen dat we ze niet lichtzinnig afleggen. Sommige mensen gebruiken gelofte om het vertrouwen van anderen te winnen en daar vervolgens misbruik van te maken, en sommigen proberen dit zelfs ten koste van de Heer te doen.

Salomo waarschuwt ons voor het gevaar van het breken van een gelofte, en Jakobus voegt daaraan toe: "Maar bovenal, mijn broeders, zweer niet bij de hemel of bij de aarde of met een andere eed. Laat uw 'ja' 'ja' zijn en uw 'nee' 'nee', opdat u niet in het oordeel valt" (Jakobus 5:12).

Een van de gevaren van het afleggen van geloften is dat onze omstandigheden kunnen veranderen, waardoor het moeilijk wordt om zo'n belofte na te komen. Er zijn ook geloften die open zijn en een valstrik kunnen vormen, zoals we zien in Rechters 11:29-40, Matteüs 14:6-12 en Handelingen 23:20-24.

Ananias en Sapphira logen tegen God en ondervonden Zijn oordeel toen ze onder valse voorwendsels een gelofte aflegden (Handelingen 5:1-11). Het zou beter zijn geweest als ze die gelofte helemaal niet hadden afgelegd. Ze hadden slechts een deel van de opbrengst van hun land kunnen geven, maar in plaats daarvan wilden ze een valse indruk wekken. Ze wilden geestelijker overkomen om meer aanzien binnen de kerk te verwerven. Deze hypocrisie kostte hen uiteindelijk hun leven.

God vereist niet dat we geloften afleggen. In het Oude Testament werden geloften afgelegd als een vrijwillige uiting van iemands toewijding aan God (Numeri 30; Deuteronomium 23:21-23; Handelingen 18:18). Maar, zoals Salomo zegt, zegt de Heer tegen ieder van ons: "Mijn zoon, geef Mij je hart" (Spreuken 23:26).

Ankerpunt voor vandaag:
De Heer verlangt naar een leven dat aan Hem is overgegeven, niet naar loze beloften. (2 Korintiërs 8:12; 9:7)